Zaterdag 22 juli 2017

IN ALTENA IS DE GROND STRAKS WEER GROEN (EN DE HEMEL BLAUW)

Triest dat Toon Hermans dat niet meer mee mag maken. In de nieuwe Brabantse fusiegemeente Altena (samenvoeging Aalburg, Werkendam en Woudrichem) wordt het straks een dure aangelegenheid om de borders te veranderen in een veredelde parkeerplaats. ‘Dichtgetegelde tuinen nemen minder regenwater op en lozen dus meer op de gemeenschappelijke hemelwaterafvoer. Dat extra gebruik zou dus ook extra belast moeten worden’, sprak wethouder Pim Bouman (nu nog) van Aalburg wijze woorden.
Toon Hermans mocht daar graag over dromen. ‘Bloemen in de straten. Banken in het gras. Nergens meer soldaten. O, als dat eens mogelijk was. Doodgewoon wat leven in de zonneschijn. Mekaar wat kusjes geven, wat zou dat zalig zijn’. Niet zo verwonderlijk dat ‘die komiek van onder de sneeuwgrens’ (koosnaampje van Lou Bandy) zo verrukt was van het gras. Zo’n mooi groen tapijt riep bij Toon altijd herinneringen op aan zijn schooljeugd. ‘Wij hadden destijds een prachtige schooljuf, mevrouw De Wind. Het viel mij als klein jongetje al op dat mevrouw De Wind twee prachtige benen had. En die kon ze zo mooi uitspreiden als ze weer eens languit in het gras naast de school ging liggen. Kijk, zei ik dan tegen mijn vriendjes: De Wind is weer gaan liggen’. Sittards grootste zoon zou het ongetwijfeld enthousiast hebben toegejuicht dat zijn nostalgische dromen door wethouder Bouman omgezet zou worden in nuchter, bestuurlijk beleid. Bouman wees bij het ontvouwen van zijn plannen op de klimaatverandering die nu al in gang is gezet. ‘Hierdoor is er een toegenomen kans op hoosbuien. Dat regenwater proberen we op te vangen met grote rioolbuizen en verdiepte wegen. Zo willen we de kelders van de bedrijven en de burgers droog houden. Maar de gemeente mag bij die inspanningen ook iets van de burgers vragen. En een betegelde tuin helpt bij die aanpak niet’. Een kritische geest had kunnen tegenwerpen dat de gemeenten in het verleden massaal betegelde industrieterreinen hebben laten aanleggen en dat de gemeente dus zelf ook wel het nodige kan bijdragen om het droog te houden binnen de bebouwde kom. Kennelijk zijn kritische geesten net als in Roosendaal het geval is niet welkom bij gemeentelijke persconferenties in het toekomstige Altena en bleef tegengas dus uit. In de berichtgeving van de ‘betere kranten’ is daar in ieder geval niets over terug te vinden. Hoe de ‘tuintegeltaks’ er uit gaat zien is nog niet bekend. De gemeenteraad van Altena moet straks over het voorstel beslissen, als het tenminste ooit zover komt. In de huidige gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem worden net als in de rest van het land in maart 2018 eerst nog gemeenteraadsverkiezingen gehouden en het is nog maar de vraag of de op zetels beluste politici het aandurven om de eigenaren van verharde tuinen zo tegen de haren in te strijken. Dapper is de actie van Bouman in ieder geval wel. Hij rekent op een stevig maatschappelijk debat over deze kwestie die ‘de burgers van de fusiegemeente in ieder geval bewust maken van hun verantwoordelijkheid als tuinbezitter’. Of als huurder van een huis met tuin, voeg ik er zelf maar even aan toe, want ik neem aan dat de huurder in Altena straks ook ‘baas in zijn tijdelijke tuin’ is. Rest mijn vraag of en wat voor acties het dagelijks bestuur in het vooruitzicht gaat stellen waarmee ze het goede voorbeeld wil geven. In dat verband is het wellicht nuttig om terug te grijpen op een overpeinzing die Annie M.G. Schmidt reeds in 1954 publiekelijk uitte. Na lang wikken en wegen besloot Annie een klein lapje grond van een boer te kopen, tussen twee vaarten in. Als toenmalig cursiefjesschrijfster van het Parool kon ze haar geluk aanvankelijk niet op. ‘Dat eigen stukje grond heeft mij juist dat gevoel van vrijheid teruggeven, wat ik sinds mijn derde jaar totaal had verloren. Dit is het, dacht ik, een mens moet grond hebben. Van grond krijgt hij zijn zelfvertrtouwen terug. Hij moet grond hebben, waar niemand hem van af kan slaan en waar hij zelf wel iemand van af kan slaan’, jubelde ze, zich waarschijnlijk niet realiserend dat deze droom voor maar weinig Parool-lezers was weggelegd.  Het stukje grond werd Annie dierbaar, ‘met zijn GRAS, zijn distels, zijn kevers en mieren die allemaal van mij waren’. Zoals zo vaak het geval is, duurde ook deze idylle niet lang. Toen Annie zich realiseerde dat ze met behulp van tal van hypotheken, leningen, herbouwplichten en subsidies een huis kon laten bouwen op dat heilige stukje grond, sloeg de twijfel toe. ‘Wanneer erop gebouwd wordt, is het geen grond meer’, stelde ze nuchter vast. Met enige weemoed naar het lieve lapje turend, sloeg het Eureka-gevoel plotseling toe. ‘Weet je’, sprak ze zichzelf belerend toe. ‘Als het dan moet (van wie dan wel?, vraag je je op dat moment als lezer af), dan wil ik tenminste een huis bouwen zonder vloeren. Ik wil een huis van enkel muren – en tussenmuren natuurlijk, want er moeten toch kamers komen en een keuken, maar de grond moet zo blijven als hij is: gras’. Centrale verwarming, gele gordijnen, een antiek kastje en een moderne eettafel, Annie wilde het allemaal, maar alles op gras. ‘Dan houd ik dat gevoel van mijn grond. Ik wil in de woonkamer petunia’s zaaien bij het raam en die iedere dag begieten, terwijl ik aan de lunch zit. En ik wil naast de eettafel een klein perenboompje planten. In het voorjaar zullen de bloesems zich dan over het ontbijtlaken buigen, zo heerlijk. Als de vruchten aan de perenboom in bloei staan, hoef ik voor het dessert enkel mijn hand uit te steken. En wat moet het verrukkelijk zijn om ’s morgens uit je bed te stappen en direct met je voeten in het gras te belanden. Nergens vloerbedekking nodig, nooit meer iets te boenen, nooit meer iets in de was te zetten. Geen zeil, geen parket, geen matten, dus geen stofzuiger meer nodig. Hooguit valt te overwegen om in de ontvangstkamer het gras te maaien, dat zou iets gedistingeerder staan’. Helaas voor Annie was het plan te mooi om waar te zijn. ‘Men (ongetwijfeld een man van de gemeente) heeft mij verteld dat het niet gaat. Dat een huis op fundamenten gebouwd moet worden. Alsof er iets fundamentelers bestaat dan aarde en GRAS’, verzuchtte ze. Annie is het in 1954 niet gelukt om haar dromen te laten uitkomen. Misschien ziet de nuchtere wethouder Pim Bouman wel mogelijkheden om hier op voort te borduren, met in het achterhoofd het beroemde dichtregeltje van Toon Hermans: Waar het gras weer groen is (in Altena dus) en de hemel blauw. HEMELBLAUW. En wie wil dat nou niet, wonen in een gemeente van hemelbestormers? Het moet voor Bouman en zijn politieke medestanders niet zo moeilijk zijn om hier een passende verkiezingsleus aan te ontlenen.  
FOTO: Waarschijnlijk had Annie M.G. een dergelijke woning in gedachten, maar dan ook groen van binnen.