Zondag 7 januari 2018

JOOST PRINSEN HOORT BIJ VIERING "ROOSENDAAL 750 JAAR"

Voor wie het nog niet weet. Onze vroegere stadgenoot Joost Prinsen (zoon van burgemeester Claudius Prinsen) fungeert sinds enkele maanden voor het AD Magazine als adviseur in de rubriek ‘Oldskool’.  Zoals de titel al aangeeft, kunnen lezers met vragen op het gebied van relaties aankloppen bij ‘mensen met levenservaring’.  Naast de 75-jarige Prinsen zijn dat de actrice Gerda Havertong  (71) en schrijfster Marjan Berk (85). Prinsen is de meest vileine van het stel.  Wie in de vraagstelling blijkt geeft van een egocentrische levensinstelling is verzekerd van een pittige repliek met een hoog Johan Derksen-gehalte.  Zoals bekend viert Roosendaal in dit jaar dat nog zo goed als geheel voor ons ligt het 750-jarige bestaan.
Hoe zit dat precies? Het oudst bekende geschrift waarin de naam Roosendaal wordt vermeld dateert van 9 november 1268. Op die dag gaf de toenmalige heer van Breda zijn fiat aan de schenking van een stuk grond aan een pas gebouwde kapel ‘in loco dicto Rosendale’, oftewel ‘op de plaats die Roosendaal wordt genoemd’. Als je de genoemde datum als geboortedag beschouwt, en de gemeente doet dat dus, bestaat Roosendaal in 2018 dus 750 jaar, wat natuurlijk niet wegneemt dat de donken die samen Rosendale vormden al veel langer bewoond werden. Dat gaat zelfs terug tot de Romeinse tijd, zoals recente opgravingen hebben aangetoond.  

Voor zover mij bekend, is in de daaraan gekoppelde feestvreugde nog geen rol weggelegd voor Joost Prinsen en het zou toch eigenlijk wel een gemis zijn indien hij uiteindelijk ontbreekt in het activiteitenprogramma. Uitnodigingen voor de DNA-lezing (een reeks met onder anderen Jef Rademakers, Jan Stroop, Hein van de Geyn en Jack van Poll) heeft hij steeds afgeslagen, omdat hij naar zijn gevoel te kortstondig in Roosendaal heeft gewoond om daar een goed verhaal over te kunnen vertellen.  Toch leeft het ‘Da’s mijn Stadje’ (carnavalsmotto 2018) gevoel nog wel degelijk bij hem.  Bij zijn laatste optreden in De Kring –de voorstelling Uurtje Literatuurtje-  liet hij het publiek weten dat het wandelingetje van het NS-station naar De Kring via de Burgemeester Prinsensingel hem altijd met een bijzonder gevoel van trots vervult. 

Wat hem echter bepaald niet met trots vervulde, was het artikel over Joodse Mina uit Roosendaal dat op 17 augustus 2017 in BN/DeStem werd gepubliceerd. Het stak hem vooral dat zijn vader Claudius zoals hij het uitdrukte ‘voortdurend als boosdoener wordt opgevoerd’.  Joost Prinsen reageerde daarop met onderstaande ingezonden brief.

"In een artikel in uw krant van 17 augustus (Roosendaal liet Joodse Mina in de steek) beschrijft John Bas het trieste lot van de joodse Wilhelmina Cozijn. Zij werd in maart 1942 tot zes weken cel veroordeeld omdat zij haar verhuizing niet had gemeld. 28 augustus 1942 is zij opnieuw gearresteerd en 1 september vanuit Westerbork getransporteerd naar Auschwitz waar zij op 3 september is vergast. ‘In het artikel wordt mijn vader, burgemeester Claudius Prinsen, voortdurend als de boosdoener opgevoerd. Bas maakt melding van een briefje, door Prinsen ondertekend, waarin de niet gemelde verhuizing van mevrouw Cozijn wordt vastgelegd. En eveneens van een document met de namen van elf (half-) joodse inwoners, onder wie Cozijn, dat Prinsen aan arbeids bureau en telefoondistrict heeft gestuurd. Treurige documenten, treurige feiten inderdaad. Feit is ook dat mijn vader op 8 maart 1942 door de Duitsers is afgezet. Aanleiding was overigens een nieuwjaarsgedicht in deze krant, waarin hij bad om herstel van het vaderland. Vanaf maart 1942 was de NSB'er J. Daems burgemeester. De naam Daems komt in het artikel echter niet voor. Evenmin wordt het feit vermeld dat mijn vader vanaf begin maart 1942 geen burgemeester meer was in Roosendaal. Integendeel: de suggestie wordt gewekt alsof hij heel de oorlog onafgebroken burgemeester is geweest. Hij werd echter pas na de bevrijding in zijn ambt hersteld. In het geheel van het artikel toch niet onbelangrijk. Dat zal de heer Bas met me eens zijn. Ikzelf ben in juni 1942 geboren. Mijn vader zat toen in het gijzelaarskamp te Sint Michielsgestel."
Deze ingezonden brief van Joost Prinsen (schrijver, televisie- en theatermaker) stond zaterdag 26 augustus in de krant.
 Het is mij niet bekend of de hoofdredactie van BN/DeStem nadien nog contact heeft gezocht met Joost Prinsen om de zaak uit te praten.  Een maand na deze publicatie heb ik de bron van de trieste geschiedenis van Joodse Mina uit Roosendaal nog gesproken en hij verzekerde me dat het absoluut niet zijn intentie was om Claudius Prinsen, die nog zeer hoog aangeschreven staat in zijn voormalige standplaats, als boosdoener op te voeren. Het ging hier inderdaad om een zaak die speelde op een moment in de oorlog dat Prinsen tijdelijk geen burgemeester van Roosendaal was (na de oorlog keerde hij nog even terug op deze post). Hij was toen wel met de afwikkeling van de affaire belast, en daar is het verhaal van de bron ook op toegespitst.
Hoe het ook zij, het zou eeuwig zonde zijn als de relatie Roosendaal – Joost Prinsen, die zoals gezegd altijd uitstekend is geweest, door dit misverstand blijvende schade zou oplopen.  Mede gezien zijn leeftijd en omdat het niet bekend is of hij ooit weer op het toneel staat, moeten er snel knopen worden doorgehakt. ‘Roosendaal 750 Jaar’ staat logischerwijze voor een belangrijk deel in het teken van de historie. Claudius Prinsen was een wezenlijk onderdeel van die historie, en daarom zou het toe te juichen zijn indien de organisatie achter het evenement –als ze het al niet gedaan heeft- Joost Prinsen uitnodigt voor een wel heel bijzondere DNA-lezing, eventueel in interviewvorm. Die hoeft niet geheel in het teken van het burgemeesterschap van Claudius Prinsen te staan, het is zeker zo interessant om te horen of en hoe zijn beperkte Roosendaalse jaren van invloed zijn geweest op de latere carrière van Joost Prinsen.  Dit is wellicht een laatste kans op wiedergutmachung die Roosendaal niet onbenut voorbij mag laten gaan. ‘Roosendaal 750 Jaar – Joost Prinsen 75 jaar’ klinkt ook bepaald niet verkeerd.