Zaterdag 6 januari 2018

PLEK IS EEN VLEK EN PLAATS WIJST OP EEN BREED VLAK

Twee dagen voordat het doek viel over 2017 signaleerde ik voor mijn taalgevoel een lelijk woordgebruik in een nieuwsbericht van het radiojournaal. De nieuwslezeres van dienst had het over ‘minder lege treinplekken’ het afgelopen jaar. Taalkundig is er misschien niets op aan te merken, maar het klonk mij lelijk en storend in de oren. Is het niet beter om te spreken van ‘lege treinplaatsen’? Je vraagt in de trein en de schouwburg immers toch ook: Is die plaats nog vrij, meneer, terwijl je een medereiziger of mede-theaterbezoeker (met een positieve insteek uiteraard) wijst op een plek in zijn uiterlijke verschijning. De plek in de betekenis van vlek dus. De ‘lege treinplekken’ van de nieuwslezeres, die wellicht een tekst uit de computer voorlas, bleef door mijn gedachten spoken en (mede) ter bevrediging van mijn nieuwsgierigheid besloot ik de vraag voor te leggen aan Peter-Arno Coppen, de taal(des)kundige van de rubriek TAAL in  dagblad Trouw. Met enige vertraging ontving ik zijn onderstaande reactie, die mijn vermoeden omtrent het plek/vlek-gebruik bevestigen. Omdat ik niet weet of dit plekkenvraagstukje de kolommen in Trouw zal halen, publiceer ik het integraal, aansluitend gevolgd door mijn eigen ‘pleijdooi’.   

Geachte heer Pleij. Dank voor uw reactie! Ik ben in de vakantieperiode niet zo snel met het beantwoorden van mails, maar u kunt ervan verzekerd zijn dat ik niets weggooi, dus wat in het vat zit verzuurt niet.

Uw ergernis (als het dat al is)  begrijp ik wel. Het woord ‘treinplekken’ lijkt een vreemd woord, al zou dat natuurlijk ook voor ‘treinplaatsen’ gelden. Ik vermoed dat het journaal overwogen heeft dat ‘treinplaatsen’ te veel vragen zou oproepen omdat het ook zou kunnen betekenen dat het over de plaatsen gaat waar de trein stopt, of gerangeerd kan worden. Uw voorkeur voor ‘plaats’ boven ‘plek’ is eveneens te begrijpen: ‘plaats’ is het frequentere woord. Het fungeert in allerlei uitdrukkingen, en het zal dus vaak de eerste keuze zijn.  Als er al een betekenisverschil is, heb je bij ‘plek’ meer de associatie met iets kleiners, terwijl ‘plaats’ breder of ten minste neutraler is. Het grappige is dat dit op de herkomst van de woorden terug te voeren is: ‘plaats’ is afkomstig van woorden die ‘vlak, breed’ betekenen, terwijl ‘plek’ zeer waarschijnlijk met ‘vlek’ te maken heeft, en dus eerder iets kleins betreft’.

Coppen denkt dus dat ‘treinplaatsen’ bij de luisteraars de associatie met plaatsen waar de trein stopt kan oproepen en deze aanduiding dus verwarrend kan overkomen.  Om hem vast even gerust te stellen. Van ergernis is bij mij in het geheel geen sprake. Als je in dit ridicule ‘MeToo’ tijdperk je humeur door zo’n puntje van discussie ver achter de komma nadelig laat beïnvloeden, heb je als burger geen leven meer en wordt het lezen van de krant een dagelijkse exercitie woedebeheersing, met alle risico’s op hartaandoeningen van dien. Deze eenvoudige kwestie is op te lossen door voortaan consequent de woorden ‘treinzitplaatsen’ en ‘treinstations’ te gebruiken. In dit onderhavige verband moeten we dus spreken van ‘steden met NS-stations’ die gezegend zijn met passerende treinen waar reizigers vaker een vrije zitplaats vinden.  De toevoeging ‘trein’ bij het woord ‘zitplaats’ kan in deze zin met een gerust hart achterwege blijven.  Beter is het wellicht nog om ‘vinden’ te vervangen door ‘aantreffen’. Ik herinner me namelijk plots de taalpurist die politici die het waagden hun betoog te beginnen met ‘Ik vind..’  krachtig corrigeerde met ‘Als u iets vindt, dan moet u dat bij het  politiebureau afgeven’.  ‘Naar mijn (al dan niet bescheiden) mening’  klonk de taalpurist veel beter in de oren.  Toegegeven, dit riekt naar  gezeur in de marge, feit is echter wel dat de taalrubrieken in kranten zich in een enorme populariteit mogen verheugen en dikwijls voer zijn voor discussie.  Een (verkeerd)  woord kan iemand maken of breken. Soms ook letterlijk, zoals de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, Boris Johnson, tot zijn eigen schande en schade van een onfortuinlijke in Iran verblijvende journalist, heeft ondervonden. Mijn enige zorg over bovenstaand betoog beperkt zich tot de overweging of ik het woord ‘echter’, zijnde mijn vaak opspelende handicap,  niet ‘te vaak’ heb gebruikt.  Daar kun je inderdaad over discussiëren, ‘te vaak’ lijkt me hier ‘echter’ beter op zijn ‘plaats’ dan ‘te veel’.  Volgens Liesbeth List namen we ‘echter’ te veel, te vaak!    Ik geef het toe:  te vaak te veel gezeurd doet afbreuk aan taaldiscussies en dus ook aan de taalrubrieken in de kranten.  Waarschijnlijk heb ik Coppen nu dusdanig ontmoedigd en ben ik in zijn ogen zover ‘ontspoord’ dat ik met vrij grote zekerheid de verwachting durf uit te spreken dat de treinzitplaatsen zijn rubriek in Trouw niet zullen halen.  Of is ‘op hol geslagen’ wellicht een betere uitdrukking?