Vrijdag 12 januari 2018

WAAROM IS "MOOT"ZO ONLOSMAKELIJK VERBONDEN MET VIS?

Twee dagen voordat het doek viel over 2017 signaleerde ik voor mijn taalgevoel een lelijk woordgebruik in een nieuwsbericht van het radiojournaal. De nieuwslezeres van dienst had het over ‘minder lege treinplekken’ het afgelopen jaar. Taalkundig is er misschien niets op aan te merken, maar het klonk mij lelijk en storend in de oren. Is het niet beter om te spreken van ‘lege treinplaatsen’? Je vraagt in de trein en de schouwburg immers toch ook: Is die plaats nog vrij, meneer, terwijl je een medereiziger of mede-theaterbezoeker (met een positieve insteek uiteraard) wijst op een plek in zijn uiterlijke verschijning. De plek in de betekenis van vlek dus. De ‘lege treinplekken’ van de nieuwslezeres, die wellicht een tekst uit de computer voorlas, bleef door mijn gedachten spoken en (mede) ter bevrediging van mijn nieuwsgierigheid besloot ik de vraag voor te leggen aan Peter-Arno Coppen, de taal(des)kundige van de rubriek TAAL in  dagblad Trouw. Met enige vertraging ontving ik zijn onderstaande reactie, die mijn vermoeden omtrent het plek/vlek-gebruik bevestigen. Omdat ik niet weet of dit plekkenvraagstukje de kolommen in Trouw zal halen, publiceer ik het integraal, aansluitend gevolgd door mijn eigen ‘pleijdooi’.   

Geachte heer Pleij. Dank voor uw reactie! Ik ben in de vakantieperiode niet zo snel met het beantwoorden van mails, maar u kunt ervan verzekerd zijn dat ik niets weggooi, dus wat in het vat zit verzuurt niet.

Uw ergernis (als het dat al is)  begrijp ik wel. Het woord ‘treinplekken’ lijkt een vreemd woord, al zou dat natuurlijk ook voor ‘treinplaatsen’ gelden. Ik vermoed dat het journaal overwogen heeft dat ‘treinplaatsen’ te veel vragen zou oproepen omdat het ook zou kunnen betekenen dat het over de plaatsen gaat waar de trein stopt, of gerangeerd kan worden. Uw voorkeur voor ‘plaats’ boven ‘plek’ is eveneens te begrijpen: ‘plaats’ is het frequentere woord. Het fungeert in allerlei uitdrukkingen, en het zal dus vaak de eerste keuze zijn.  Als er al een betekenisverschil is, heb je bij ‘plek’ meer de associatie met iets kleiners, terwijl ‘plaats’ breder of ten minste neutraler is. Het grappige is dat dit op de herkomst van de woorden terug te voeren is: ‘plaats’ is afkomstig van woorden die ‘vlak, breed’ betekenen, terwijl ‘plek’ zeer waarschijnlijk met ‘vlek’ te maken heeft, en dus eerder iets kleins betreft’.

Coppen denkt dus dat ‘treinplaatsen’ bij de luisteraars de associatie met plaatsen waar de trein stopt kan oproepen en deze aanduiding dus verwarrend kan overkomen.  Om hem vast even gerust te stellen. Van ergernis is bij mij in het geheel geen sprake. Als je in dit ridicule ‘MeToo’ tijdperk je humeur door zo’n puntje van discussie ver achter de komma nadelig laat beïnvloeden, heb je als burger geen leven meer en wordt het lezen van de krant een dagelijkse exercitie woedebeheersing, met alle risico’s op hartaandoeningen van dien. Deze eenvoudige kwestie is op te lossen door voortaan consequent de woorden ‘treinzitplaatsen’ en ‘treinstations’ te gebruiken. In dit onderhavige verband moeten we dus spreken van ‘steden met NS-stations’ die gezegend zijn met passerende treinen waar reizigers vaker een vrije zitplaats vinden.  De toevoeging ‘trein’ bij het woord ‘zitplaats’ kan in deze zin met een gerust hart achterwege blijven.  Beter is het wellicht nog om ‘vinden’ te vervangen door ‘aantreffen’. Ik herinner me namelijk plots de taalpurist die politici die het waagden hun betoog te beginnen met ‘Ik vind..’  krachtig corrigeerde met ‘Als u iets vindt, dan moet u dat bij het  politiebureau afgeven’.  ‘Naar mijn (al dan niet bescheiden) mening’  klonk de taalpurist veel beter in de oren.  Toegegeven, dit riekt naar  gezeur in de marge, feit is echter wel dat de taalrubrieken in kranten zich in een enorme populariteit mogen verheugen en dikwijls voer zijn voor discussie.  Een (verkeerd)  woord kan iemand maken of breken. Soms ook letterlijk, zoals de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, Boris Johnson, tot zijn eigen schande en schade van een onfortuinlijke in Iran verblijvende journalist, heeft ondervonden. Mijn enige zorg over bovenstaand betoog beperkt zich tot de overweging of ik het woord ‘echter’, zijnde mijn vaak opspelende handicap,  niet ‘te vaak’ heb gebruikt.  Daar kun je inderdaad over discussiëren, ‘te vaak’ lijkt me hier ‘echter’ beter op zijn ‘plaats’ dan ‘te veel’.  Volgens Liesbeth List namen we ‘echter’ te veel, te vaak!    Ik geef het toe:  te vaak te veel gezeurd doet afbreuk aan taaldiscussies en dus ook aan de taalrubrieken in de kranten.  Waarschijnlijk heb ik Coppen nu dusdanig ontmoedigd en ben ik in zijn ogen zover ‘ontspoord’ dat ik met vrij grote zekerheid de verwachting durf uit te spreken dat de treinzitplaatsen zijn rubriek in Trouw niet zullen halen.  Of is ‘op hol geslagen’ wellicht een betere uitdrukking?    

Geachte heer Pleij,

Dank voor uw reactie! Ik ben in de vakantieperiode niet zo snel met het beantwoorden van mails, maar u kunt ervan verzekerd zijn dat ik niets weggooi, dus wat in het vat zit verzuurt niet.

Uw ergernis (als het dat al is)  begrijp ik wel. Het woord ‘treinplekken’ lijkt een vreemd woord, al zou dat natuurlijk ook voor ‘treinplaatsen’ gelden. Ik vermoed dat het journaal overwogen heeft dat ‘treinplaatsen’ te veel vragen zou oproepen omdat het ook zou kunnen betekenen dat het over de plaatsen gaat waar de trein stopt, of gerangeerd kan worden.

Uw voorkeur voor ‘plaats’ boven ‘plek’ is eveneens te begrijpen: ‘plaats’ is het frequentere woord. Het fungeert in allerlei uitdrukkingen, en het zal dus vaak de eerste keuze zijn.

Als er al een betekenisverschil is, heb je bij ‘plek’ meer de associatie met iets kleiners, terwijl ‘plaats’ breder of ten minste neutraler is. Het grappige is dat dit op de herkomst van de woorden terug te voeren is: ‘plaats’ is afkomstig van woorden die ‘vlak, breed’ betekenen, terwijl ‘plek’ zeer waarschijnlijk met ‘vlek’ te maken heeft, en dus eerder iets kleins betreft.

Met vriendelijke groet,

Peter-Arno Coppen


Geachte heer Pleij,

Dank voor uw reactie! Ik kan u verzekeren dat ik niet zo snel ontmoedigd raak. De kwestie plaats/plek zal zeker de rubriek halen, want het is een vrij populaire kwestie, waar meer mensen zich in meerdere of mindere mate aan storen.

Met vriendelijke groet,

Peter-Arno Coppen

Peter-Arno Coppen heeft woord gehouden. Zijn rubriek van 12 januari 2018 in Trouw was geheel aan dit ernstige dilemma gewijd. Zie onderstaand.

Is een plek even groot als een plaats?

Een al langer bestaande taalergernis is het gebruik van het woord ‘plek’ waar je ook ‘plaats’ zou kunnen zeggen. Als iemand in een gezelschap van taalcritici uitroept ‘Er is nog plek’ dan is de kans groot dat er een discussie ontstaat dat je hier beter voor ‘plaats’ kunt kiezen.

De taaldiscussie wordt vaak gedomineerd door het ‘argument’ dat je immers ook niet zegt ‘in plek van’ of een ‘plekbewijs’, maar dat is natuurlijk geen goede argumentatie. Het is een feit dat ‘plek’ en ‘plaats’ beide prima Nederlandse woorden zijn, met een grotendeels overlappende betekenis. Dat heeft tot gevolg dat je in heel veel gevallen net zo goed ‘plaats’ als ‘plek’ kunt zeggen. Dat er vaste uitdrukkingen met ‘plaats’ bestaan doet daar niets aan af. De keuze tussen de twee wordt in de meeste gevallen bepaald door gewoonte (de uitroep ‘Er is nog plaats’ is inderdaad frequenter), of door een algehele voorkeur (sommige mensen vinden het woord ‘plek’ informeler of zelfs onbeschaafder klinken). ‘Plaats’ is het frequentere woord, dus bij twijfel zullen mensen dat gebruiken.

Is er dan helemaal geen betekenisverschil?  Misschien een beetje: bij ‘plek’ denk je eerder aan iets kleiners, terwijl ‘plaats’ neutraal of groter is. Het grappige is dat dit verschil terug te voeren is op de herkomst: ‘plaats’ komt van woorden die ‘vlak’ en ‘breed’ in hun betekenis hebben, terwijl ‘plek’ waarschijnlijk verwant is aan ‘vlek’, dus eerder iets kleins. Vandaar ook dat je nog steeds spreekt over ‘een plekje op de huid’ en niet over ‘een plaatsje’’. Daarom ook zingt René Froger ‘een plek’ onder de zon’. Dat klinkt kleiner. P.a.coppen@let.ru.nl 

Misschien is het een aardig idee om wanneer de treinconducteur bij de inmiddels wel heel schaarse kaartcontroles vraagt naar ‘het plaatsbewijs’ hem/haar  te antwoorden: Dat heb ik niet, conducteur. Maar ik kan u wel mijn plekbewijs laten zien. Waarom vraagt u daar overigens niet naar?’ Nog leuker is het als de goedgebekte reiziger zijn ‘vraag’ kracht bijzet door te wijzen op een afwijkend stukje lichaamshuid. Het is niet ondenkbeeldig dat de reacties van de blauw geüniformeerde mannen/vrouwen dusdanig kleurrijk zijn dat hier een klein bundeltje van samen te stellen is. Ik heb zo’n vermoeden dat de vrouw in blauw hier wat gevatter op zal reageren dan haar mannelijke tegenhanger. Dat wil ik best bevestigd zien! In het lied van Froger waar Coppen aan refereert, rept de zanger overigens van ‘een moot gebakken vis’.  Froger haastte zich in die tijd naar de Albert Cuypmarkt om aan deze regelmatig opspelende hongerkloppen gevolg te geven.  Daar draagt hij nog steeds de vleselijke gevolgen van.  ‘Een moot’ is in dit verband op zich correct taalgebruik, want met een moot wordt een ‘afgesneden stuk vis’  bedoeld. ‘Moot’ is dus onlosmakelijk verbonden met ‘vis’. Toch zie je met name in oude films weleens duistere figuren die ter beslechting van duistere zaakjes dreigende taal spreken in de richting van hun  ‘handelspartners’, veelal tot uiting komend in de woorden ‘Ik zal jou eens even in mootjes hakken, vrind’. Als het woord bij de daad wordt gevoegd, veranderen de mootjes mens niet direct in vis. Dus waarom zouden kannibalen niet kunnen spreken van ‘een moot gebakken mens’. Wellicht kan het clubje taalcritici van Coppen zich ook eens over dit dilemma buigen om vervolgens met een weloverwogen oordeel te komen. U ziet, het ene woord lukt de volgende taaldiscussie uit onder taal(des)kundigen. Is er overigens een wezenlijk verschil tussen taalkundigen en taaldeskundigen?