Donderdag 15 juni 2017

BESTOND DE LEGE-ZALEN-MAN NOG MAAR!

Sommige voorstellingen verkopen zichzelf. Bij andere moet je er wat harder aan trekken en bij helaas een groeiend aantal voorstellingen is belangstelling genereren vergelijkbaar met het trekken aan een dood paard.  Het toneel met de grote weidse gebaren –toneelspelen is immers uitvergroten- is al jaren een zorgenkind van schouwburgdirecteuren en de gezelschappen die daar hun dagelijks brood aan ontlenen. Bij de publieke televisie is het toneel al jaren geleden uit de programmering geschrapt en als nu ook de theaters gedwongen door teruglopende publieke belangstelling toneelproducties gaan schrappen wordt het lot van de oermoeder van het schouwspel wel heel erg penibel. Het afgelopen seizoen hebben we al met lede ogen moeten toezien hoe zowel De Maagd als De Kring voorstellingen om die reden hebben afgelast.
Acteur Louis van Beek bezocht ‘Lulu’ van Toneelgroep Oostpool in de schouwburg van Almere en wist zich slechts omringd door hooguit veertig andere bezoekers. ‘Ik zie vrij veel toneel, en dat gebeurt nog maar zelden in een uitverkochte zaal’, constateerde hij  misnoegd.  Kant-en-klare oplossingen heeft Ven Beek ook niet, anders had hij ze al lang aangedragen, en daarom werpt hij slechts een aantal vragen op.  Was het de bijl van Halbe? (Zijlstra, in het vorige kabinet als staatssecretaris verantwoordelijk voor cultuur, JP). Houden mensen niet meer van theater, als het niet meteen een evenement of een festival is? Is er gewoon niet genoeg geïnteresseerd publiek meer? Is het reissysteem uitgehold en niet meer van deze tijd? Moeten we liever niet zeuren en blij zijn met de mensen die in ieder geval wel komen? Voeden we onze jeugd, het publiek van morgen, te weinig op met cultuur? Die laatste vraag heb ik recentelijk zelf aan de orde gesteld in mijn ‘pleijdooi’ gericht aan ‘onze’ wethouder van cultuur, Hans Verbraak, om een speciaal, extra potje te reserveren voor ‘toneelopvoeding’. Het antwoord laat nog op zich wachten. In het theaterboekje van De Kring voor het seizoen 2017-2018 tippen diverse medewerkers een aantal producties die de bezoekers zeker moeten opnemen in hun balboekje. Best aardig om te weten hoe Pauline, Simone, Frank, Mariska, Anouk en vrijwilliger Eddy daar over denken, maar essentieel is natuurlijk de mening van het hooggeëerd publiek.  Dat komt niet aan het woord in het boekje, en dat is heel jammer voor de nieuwe directeur-bestuurder van De Kring, want die zou daar zijn voordeel mee kunnen doen voor de samenstelling van het volgende programma. Een directeur wordt afgerekend en beoordeeld op twee zaken: een zo gezond mogelijke financiële huishouding (al zal een regioschouwburg nooit winstgevend worden) en zijn programmering, het is daarom jammer dat Jan-Hein Sloesen dat onderdeel in zijn brede pakket niet zelf voor zijn rekening gaat nemen.  Een lichtpuntje qua publieke belangstelling was het afgelopen seizoen de Dinsdagmiddagserie. Dat experiment is dermate goed uitgepakt dat het niet alleen wordt voortgezet, maar er zelfs nog een extra voorstelling bij heeft gekregen. Dat succes is voor een niet onbelangrijk deel te danken aan Henk Raats, binnen de groep gastprogrammeurs verantwoordelijk voor de public-relations. Henk volstond niet met het uitdelen van foldertjes. Als de situatie daar aanleiding toe gaf, aarzelde hij niet om met vervoerproblemen kampende potentiele bezoekers op te halen en naar huis te brengen. Met als positief resultaat telkens een bijna volle bak. Dat is voor de reguliere afdeling marketing en publiciteit natuurlijk niet te doen, maar duidelijk mag zijn dat ook deze afdeling het aanbod veel sterker en regelmatiger in de spotlights moet zien te krijgen. Voorstellingen voor wie de kassa niet zo snel volstroomt, dient ruim op tijd extra publicitaire aandacht te krijgen, desnoods via gerichte publieksacties, al moet je daar ook weer niet al te scheutig mee zijn om de bezoekers die het volle pond hebben betaald niet voor het hoofd te stoten. Louis van Beek constateerde het al: pasklare oplossingen zijn er niet, maar je moet als organisatie wel het gevoel hebben dat je er alles aan hebt gedaan om het theaterpubliek over de streep te trekken. Pas dan mag je het oordeel ‘dood paard’ vellen. Een online enquête op de eigenwebsite, specifiek gericht op en gevraagd naar de belangstelling voor het toneel, leidt eveneens tot een beter inzicht. Niet zo lang geleden sprak ik een regelmatige theaterbezoeker die verkondigde dat uit ‘one-night-stands’ wat reizende voorstellingen natuurlijk zijn, nooit echte liefde kan ontstaan.   ‘Als de voorstelling de stad ‘binnenrijdt’ is zij niet zelden een ‘vreemde’ in de stad. Niet eens een vreemde waar naar uit gekeken wordt omdat er lokaal nauwelijks reuring rond de voorstelling en haar komst is ontstaan. Implosie van lokale kunstpers (wat ik zelf ook op www.roosendaalspleijdooi.jimdo.com heb aangegeven) , gebrek aan cultuureducatie (zie bovenstaand) en sterk gekorte theaterbudgetten (veelal zonder enige marketing-afdeling, laat staan voorlichting of Public-relations) vormen samen gemixt de fnuikende ingrediënten om in Nederland tot een deplorabele situatie te geraken. De verantwoordelijkheid voor die reuring is daarbij het grote gat dat tussen gezelschap en podium ‘gaapt’. De gezelschappen hebben nauwelijks voldoende geld om de voorstelling te maken, de theaters hebben nauwelijks (voor) kennis van de stukken die bij hen staan’, liet ze later op een website aantekenen.  Theaterwonderen in dit opzicht bestaan niet, maar we kunnen wellicht enigszins voorzichtig concluderen dat gerichte publiciteit, cultuureducatie, de bezoekers beter bij de programmering betrekken, het omarmen van de media die zich nog wel bewust zijn van nut en noodzaak van cultuur, en hogere budgetten een flinke duw in de goede richting kunnen geven.
DE LEGE-ZALEN-MAN
Het is in dit verband grappig om te zien wat Herman Pieter de Boer in zijn boekje ‘De artiestengang’ over slechtlopende voorstellingen te vertellen had. In de Verenigde Staten van weleer kende men naast een zakken-halen-man (een ingehuurd persoon die luid klaterend applaus moest bewerkstelligen) een zogeheten lege-zalen-man. ‘Dat was de man (kennelijk nooit een vrouw dus, JP) die er door de schouwburgdirectie of het toneelgezelschap werd bij geroepen als er te weinig  kaartjes verkocht waren’, doceert De Boer. ‘Zorgen dat er mensen komen’. luidde de kernachtige opdracht. Ene Galema die acuut te hulp werd geroepen om een zieltogend stuk van een Roemeense schrijver op te laten veren,  bekeek de zaal tijdens het repetitieproces vanuit verschillende posities en ‘gaf open doekjes, riep bis en bravo, ging op stoelen staan, zat in diepe devotie achterover met gesloten ogen, stond op om tientallen mensen door  te laten, was in de stalles, op het balkon, bezette elke rang en elke stoel, snikte in de loge, schaterde in de engelenbak en om vijf voor twee hield hij pas op’, beschreef De Boer dit heilig aandoende ritueel. Kort voor de middagkassa sloot, waren er zowaar kaartjes verkocht, precies voor die stoelen waar Galema enige tijd op gebivakkeerd had. Toen het gezelschap na een maaltijd in het schouwburgrestaurant terugkeerde  naar de artiesteningang, stond er zowaar voor de kassa al een flinke rij. Het was even voor openingstijd, omdat de leider van de toneelgroep, Brandon, vreesde dat die rij wel eens heel snel kon slinken als de kassa niet op het moment suprême openging, maande hij het personeel tot gezwinde spoed. ‘Doe de kassa open, verkoop kaartjes. Zet koffie, wees bedrijvig’. Dit stukje improvisatietoneel sloeg zo goed aan bij de argeloze passanten dat de rij wachtenden niet aan zeggingskracht inboette, maar juist stevig aan zwol. Een uitverkochte zaal was te hoog gegrepen, maar bij het opgaan van het doek zaten er toch vierhonderd man in de zaal. ‘Hoog kwaliteitspubliek bovendien, dat na afloop innig dankbaar applaudisseerde.  Die Galm is zijn geld dubbel en dwars waard geweest’, lachte Brandon bij het stiekempjes gluren tussen de toneeldoeken.   Galema heeft niet lang kunnen genieten van zijn succesvolle aanpak, korte tijd later overleed hij. Brandon spendeerde daarna jaren aan zijn zoektocht naar een nieuwe lege-zalen-man. Tevergeefs, profiteurs genoeg, maar de ware zat er nooit tussen. Zodoende is de lege-zalen-man een stille dood gestorven.   ‘Of weet u soms iemand?’  De Kring ziet hem (of haar) graag komen. Wat nu precies de speciale kracht van Galema was, heeft Herman Pieter de Boer helaas mee in zijn eigen graf genomen!