Zondag 30 juli 2017

STAAN WE OP EEN NIEUW BREUKVLAK IN DE SPORTGESCHIEDENIS

Desinteresse van de media is een blijvend pijnpunt, zo constateerde sporthistorica Marjet Derks in haar boek ‘Vrouwenvoetbal in Nederland’ dat aan de vooravond van het EK verscheen. Had ze maar even gewacht met deze publicatie nu de euforie rond het Nederlands dameselftal zeker na de gedegen winst op Zweden niet meer te stuiten lijkt. De (mannelijke) sportjournalist, die in het boek liet optekenen het vrouwenvoetbal wel serieus te nemen, maar het toch als slap aftreksel van 'het echte werk' te beschouwen, zal nu wel anders piepen.  ‘Als ik het niet zou hoeven volgen voor de krant, zou ik er denk ik nooit naartoe gaan’, bekende de kortzichtige ziener ook nog eens.  Gelukkig voor hem werd hij niet met (toe)naam genoemd in het boek, anders zou hoon nu zijn deel zijn.
De kwartfinale werd op die nu al historische zaterdagavond 29 juli door ruim twee miljoen mensen bekeken. Enigszins cynisch kun je constateren dat er in deze komkommerperiode nog minder te beleven is op de Nederlandse televisie dan de rest van het jaar het geval is, maar die twee miljoen hadden natuurlijk ook voor een van de vele series op Netflix of andere soorten van verpozing kunnen kiezen.  Het begint er zelfs op te lijken dat we op een nieuw breukvlak staan in de sportgeschiedenis.  Helaas is de ‘leeuwinnen’ de kans reeds ontnomen op dit EK te doen waar hun mannelijke tegenvoeters nooit in geslaagd zijn, winnen van Duitsland in de finale van een internationaal sportevenement. Met ‘dank’ aan de Deense dames! ‘Sportparticipatie door vrouwen was nooit vanzelfsprekend, maar werd gezien als binnendringen van een aan mannen toebehorend veld’, concludeerde Marjet Derks op grond van haar onderzoek. Maar als ‘we’ eenmaal op het Europese podium hebben gewonnen, zal het opportunisme ongetwijfeld weer eens zegevieren en zullen ook de meest fundamentalisch ingestelde mannelijke voetbalfanaten deze bepaald niet onaantrekkelijke vrouwen tegen de borst willen drukken.  Dat zal bij dagdromen blijven. Hoogstens zullen Vivianne Miedema, Lieke Martens en Shanice van de Sanden bij wijze van verzoeningsgebaar een uitzondering maken voor ‘bekeerling’ Johan Derksen, terwijl Marjet Derks een nieuw hoofdstuk aan haar onderzoek gaat toevoegen.  Het breukvlak wordt verder gemarkeerd door de mannelijke inbreng waar nu nog sprake van is. De arbitrage is weliswaar geheel gefeminiseerd, maar veel landen hebben nog een mannelijke coach en bij het commentaar voor de televisie rust de microfoon nog in de stevige knuisten van de vertrouwde oude-jongens-krentenbrood-garde. Dat laatste is overigens wel toe te juichen. Als een vrouwelijke commentator door de verrichtingen op het veld bevangen wordt door enthousiasme gaat haar doorgaans lichte stemgeluid nog verder de hoogte in, waardoor er sprake lijkt van hysterie. Degenen die op Eurosport het wielrennen volgen, weten hoe erbarmelijk dat klinkt. Maar dat de mannelijke coaches uiteindelijk het veld ruimen ten faveure van de vrouwelijke visie lijkt slechts een kwestie van tijd. ‘Vrouwen begrijpen vrouwen immers zo veel beter dan mannen’, constateerde actrice Sylvia Kristel reeds in haar erotische filmdebuut.     
Staat het de (heren) sportjournalisten nu vrij om al dan niet tot inkeer te komen, na 14 mei 1940 moest de sportjournalistiek een fundamentele keus maken. Hoe om te gaan met de sportbeoefening in bezettingstijd? Binnen de redactieburelen overheerste de overtuiging dat sport bij uitstek geschikt was om de dagelijkse oorlogssores te vergeten en kon bijdragen aan het herstel van het gewone leven. De Telegraaf verwoordde die opvatting in 1943 in een commentaar als volgt: ‘Voetbal als sport en kijkspel is voor tienduizenden juist in deze oorlogstijd een heerlijke afleiding geworden voor lichaam en geest. Voor de toeschouwers in de zondagse gang naar de tribune in veel gevallen een lichtend eindpunt van de week met al zijn perikelen. Niet iedereen beschikt over de innerlijke rust of bezit de belangstelling een boek ter hand te nemen. Niet iedereen voelt er voor naar een mooi radioconcert te luisteren waarop de distributie ons vergast’. Die ‘welkome afleiding’ sterkte menig sportjournalist in de overtuiging dat ook voor hem een belangrijke taak was weggelegd. Dat ze nu voor gelijkgeschakelde persorganen werkten, maakte in de praktijk weinig uit. Sportjournalisten werden voor de oorlog door het publiek en collega’s die het serieuze nieuws brachten vaak met de nek aangekeken of door hen minstens met dedain behandeld. Het blad Sport in Beeld/De Revue der Sporten reageerde uitgelaten op de nieuwe verhoudingen: ‘Het woord is thans aan de sport wier grote betekenis men in Duitsland steeds heeft ingezien. De zeer loyale houding welke de Duitse bezetting aanneemt, zowel tegenover onze weermacht als jegens de burgerbevolking, wettigt het vermoeden dat wij van deze zijde alle medewerking zullen ondervinden’.  De Telegraaf zag met name voor de wielersport een nieuwe tijd opdoemen, ‘een tijd van opbouw na de duffe jaren van verslappende neergang’. Sport in Beeld ging zelfs zover een zevendelige serie over ‘Sport in Duitsland’ te publiceren.  Sportmanifestaties van de bezetter en aan de bezetter gelieerde organisaties konden vaak rekenen op enthousiaste recensies.  Uit de ‘noten voor de redactie  – niet voor publicatie bedoelde Duitse aanwijzingen voor de pers’ blijkt dat de Nederlandse journalisten meestal ‘zeer gaarne’ verwacht werden. De sportjournalistiek zag er geen bezwaar in om de ingrijpende consequenties van de Duitse inval ondergeschikt te maken aan de sportieve voordelen ervan.  Soms mondde dit regelrecht uit in nationaal-socialistische propaganda, getuige het commentaar in de Utrechtse Courant op de Nationale Jeugdstormwedstrijden in Deventer in augustus 1942.  ‘Zo was dit feest van onze jeugd geworden het feest bij uitnemendheid, een voorproefje van wat ons nog te wachten staat in de komende maand als onze nationale jeugdkeurploeg naar Italië gaat om daar in Milaan onze vaderlandse kleuren hoog te houden en op waardige wijze te vertegenwoordigen. Dit is dan ook het hoofdmotief. De arbeid welke hier verricht wordt, beperkt zich niet tot onze landsgrenzen. Hier wordt de kiem gelegd van een nieuwe opbouw in het kader van de nieuwe gemeenschap, het nieuwe Europa’.  De sportjournalistiek werd via de ‘noten voor redacties’ geacht diverse mededelingen van de bezetter door te geven aan het grote publiek. Het ging daarbij om de hoofdlijnen van het Duitse beleid en de daarop gebaseerde verordeningen en oproepen. Opmerkingen over de weersomstandigheden waaronder de sportieve prestaties plaats hadden gevonden, waren absoluut taboe. Een aanduiding als ‘een gladde bal’ kon al geen genade vinden bij de toezichthouder. De geallieerden zouden immers hun voordeel kunnen doen met de vermelde weersgesteldheid. Dat de censuur dit verbod streng naleefde, ondervond een redacteur van het blad De Zwemkroniek aan den lijve.  Diens summiere referentie kwam hem op een officiële reprimande te staan, waarbij de ‘gebodsovertreder’ bij de eerst volgende herhaling een beroepsverbod in het vooruitzicht werd gesteld.  De illegale verzetskranten lieten zich uiteraard niets gelegen liggen aan deze ‘noten voor redacties’. Voor deze redacties speelden er echter belangrijker zaken, sport in oorlogstijd werd veelal als irrelevant en zelfs verwerpelijk beschouwd. Na de oorlog bleef de sportjournalistiek redelijk buiten schot in de golf van zuivering die over Nederland trok. Dat gold niet voor degenen waarover zij zo consequent hadden bericht. Bekende en onbekende sporters werden en masse het kind van de (af)rekening. Zo kreeg de voormalige bokskampioen Sam Oly vijftien jaar hechtenis opgelegd, na eerst ter dood te zijn veroordeeld wegens het arresteren van dertig blinde joden in opdracht van de Zentralstelle fur Judische Auswanderung. Wielrenner Cor Wals hoorde het Bijzonder Gerechtshof in Den Bosch vijftien jaar met aftrek tegen hem eisen wegens dienstneming bij de Waffen-SS en het terroriseren van Nederlandse arbeiders in Rusland. Doelman Gejus van der Meulen kreeg acht jaar gevangenisstraf omdat hij als arts actief was aan het Oostfront. Naast de strafrechterlijke vervolging ging onder toezicht van de Commissie voor Zuivering van de Sport de bezem door de gelederen van de sportclubs. De verenigingen werden geacht tuchtrechtelijke maatregelen te nemen tegen hen die niet zozeer ‘fout’ als wel te slap en te gewillig tegenover de Duitsers en hun Nederlandse handlangers waren geweest. Degenen die het betrof roken al snel onraad. Velen van hen wachtten deze formele uitsluiting niet af en kozen eieren voor hun geld. De opvattingen over sportjournalistiek onderging in het nieuwe Nederland wel een metamorfose.  Na de Tweede Wereldoorlog moest sport gestimuleerd worden uit pedagogisch oogpunt. Radioverslaggever Dick van Rijn, bekend in de jaren vijftig en zestig, was van origine gymleraar. Sinds het begin van de jaren zeventig richt de pers zich meer op de sporters zelf. Voor de sportjournalist is het vinden van toegang tot de sterren in de sport van groot belang geworden. Zijn mediawereld is de laatste jaren sneller geworden door internet, apps en sociale media en heeft het karakter gekregen van een razende achtbaan. De snelheid van het nieuws is allesbepalend. De druk om te scoren is heel groot, waardoor de objectieve journalistiek steeds meer het kind van de rekening dreigt te worden. Vroeger was zijn werkzame leven redelijk overzichtelijk. Op zijn gemak bekeek hij met pen en papier in de aanslag een wedstrijd, schreef het verslag achteraf in de redactieburelen en ging vervolgens fluitend naar huis. Nu is hij al lang voor het eerste fluitsignaal actief op internet. ‘Twitteren, soms een liveblog, na de wedstrijd snel een eerste indruk doorsturen. Met foto voor de site. Dan als een dolle naar beneden, naar de kleedkamer. En daarna moet ik nog een verslag tikken. Dat gaat op termijn onherroepelijk ten koste van de diepgang van het verslag’, beklaagde een verslaggever van het Brabants Dagblad zich over de huidige gang van zaken. Daardoor is dat ene verslag ook een dagtaak geworden, en de beloningen voor freelancers (met name fotografen) zijn er de laatste jaren bepaald niet beter op geworden. Door de verschraling, vervlakking en uitdunning van de vaste redacties zetten kranten steeds vaker deze relatief goedkope freelancers in om verslag te doen van voetbalwedstrijden. Het is deze doelgroep er alles aan gelegen om in een goed blaadje te komen bij de spelers en de clubleiding,  wat ten koste gaat van het stellen van kritische vragen. Als de clubnotabelen de afhankelijke freelancer niet meer te woord wil staan, komt zijn broodwinning in gevaar. Dat breukvlak dreigt in toenemende mate een hellend vlak te worden.