Vrijdag 20 oktober

"DE PRINS SPREEKT" LEEST ALS EEN TONEELSTUK

Een musical over een nog levende beroemdheid. Wat mij betreft, spreekt hier een te haastig verlangen uit. Het verhaal, in musicals meestal aan het laatste hoofdstuk toe, is immers nog niet voltooid. Om die reden heb ik de musical ‘Liesbeth, List de musical’  in De Kring aan me voorbij laten gaan, ondanks dat de voorstelling ‘Spijkers 2’ door Spijkers in de kleine zaal niet bepaald een aantrekkelijk wenkend alternatief was. Een voorgevoel dat inderdaad bewaarheid werd.

Die weerzin tegen ‘bestaande personen musicals’ ontstond in 1995 toen ik me liet verleiden om in De Nobelaer (de ‘oude’ wel te verstaan) in Etten –Leur de musical over de toen net vijftigjarige Willeke Alberti te bezoeken, met Joke de Kruijf als Willeke en Frits Lambrechts in de rol van vader Willy. Het idee was een jaar of drie daarvoor ontstaan op een verloren maandagavond in zo’n typische Amsterdamse kroeg. De latere initiatiefnemer Gerard Cornelisse zat daar met enkele stamgasten wat te mijmeren over de in hun ogen teloorgang van het Nederlandse lied in het algemeen en die van het chanson in het bijzonder. Op zoek naar de vraag waar al die mooie liedjes van weleer waren gebleven, kwam Willeke ineens boven drijven. Cornelisse beschreef dat plotselinge eurekagevoel kort voor die voorstelling in Etten-Leur in mijn toenmalige radioprogramma Spotlight (Radio Stad FM) alsvolgt: ‘Ik heb wel wat met dat leven van Willeke. Zo’n tienersterretje dat gedreven door de hijgerigheid van de showbizz in een rap tempo een vrouw van de wereld wordt. Ondanks dat veel verkeerde mannen haar pad kruisten, bleef ze toch kaarsrecht overeind. Zonder die beroemde vader was ze misschien wel verkoopster in de Hema geworden en had haar leven gedraaid om die overbekende worsten in plaats van de spotlights. Enerzijds is ze heel lief en soft, maar als de situatie dat vereist, is ze keihard. Met een mentaliteit van ‘Ik laat niet met me sollen’. Die twee kanten van haar persoonlijkheid wilde ik met name uit de verf laten komen in die musical’. 

Van de voorstelling is met name de hokjesgeest me bij gebleven. Eerst de vader, gevolgd door de minnaars en de uiteindelijke huwelijkskandidaten. Het musicalverhaal stopt bij Soren Lerby, die ze in 1980 ontmoette, eindigend in een kort voetbalhuwelijk, waar een van Willeke’s drie kinderen uit voortkwam. De geschiedenis leert dat het verhaal van Willeke Alberti toen nog lang niet verteld was. Toch is deze musical misschien wel bepalend geweest voor haar latere carrière. ‘Ik was zeer tevreden met Joke de Kruijf’s vertolking. Maar toen ik zag hoeveel bezoekers op die musical afkwamen, dacht ik: misschien komen ze ook wel als ik zelf weer op dat podium ga staan’. Niets bleek minder waar. Hoewel ze het de laatste jaren wat kalmer aandoet, is Willeke samen met onder anderen Boudewijn de Groot, Herman van Veen en Rob de Nijs nog steeds een van de oervedetten van het Nederlandse lied. Gezien haar broze gezondheid ligt dat met Liesbeth List natuurlijk anders, maar waarom gewoon niet een flink aantal jaren gewacht, tot wanneer alles omtrent haar turbulente leven in het juiste perspectief kan worden geplaatst. Bovendien heb ik de echte Liesbeth heel vaak zien optreden en mogen interviewen. Waarom zou ik dan naar een surrogaat gaan kijken, waarmee ik uiteraard niet negatiefs wil zeggen over hoofdrolspeelster Renée van Wegberg die in tegenstelling tot het verhaal en haar tegenspelers- louter juichende recensies mocht incasseren.

De tijd is echter wel meer dan rijp voor een toneelproductie (beslist geen musical) over Prins Bernhard. In De Koopjeshal zag ik onlangs ‘De Prins Spreekt’ liggen, het boek waarin de journalisten Pieter Broertjes en Jan Tromp voor De Volkskrant de laatste gesprekken met de omstreden prins hebben opgetekend. Bernhard liet middels een schrijven van 23 mei 2003 op briefpapier van Paleis Soestdijk met het kenmerk B weten zich goed in de inhoud te kunnen vinden. Niet zo verwonderlijk want de verhalen –door de Prins bedoeld om ‘mijn zienswijze vast te leggen over een aantal aspecten van mijn leven waarover ik nog graag het een en ander wilde zeggen’ – zijn zonder al te stevige replieken weer gegeven. ‘De Prins spreekt’ mag dan ook vrij letterlijk worden genomen. Het boek beslaat helaas slechts honderd pagina’s en dat is toch wel erg karig gezien de twintig uur die de journalisten in Bernhards gezelschap  hebben doorgebracht. De Greet Hofmans-affaire uit 1956 en de Lockheed-affaire uit 1976 vormden de belangrijkste gespreksonderwerpen. Bernhards belevenissen voor, in en kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog worden slechts oppervlakkig belicht, en die periode is voor historici nu juist het meest interessant. Toen de prins in september 1944 vanuit Engeland terugkeerde naar Nederland kwam hij met Koningin Wilhelmina, door hem consequent aangesproken met ‘Moeder’, kort voor vertrek te spreken over de toekomst van de koninklijke paleizen in Nederland. ‘Verbrand ze. Ik ga niet meer wonen in een paleis waarin de moffen hebben gezeten’, aldus het majestueuze oordeel. Bernhard was er echter de man niet naar om orders op te volgen, zelfs niet van het staatshoofd in ballingschap. Bij aankomst in Apeldoorn zag hij dat de Canadezen op het punt stonden hun intrek te nemen in paleis ’t Loo. ‘Dat gaat niet gebeuren’, dacht de prins. ‘Hop, d’r uit, ik ga erin met mijn staf’. Met deze woorden wist hij naar eigen zeggen de bevrijders van hun snode plannen af te houden. Toen de oude Koningin in Nederland arriveerde, riep ze haar schoonzoon ter verantwoording wegens het niet opvolgen van de dienstorders. Bernard, ongetwijfeld met een pochende intonatie in de stem, zou daarop geweigerd hebben zijn excuses aan te bieden voor deze insubordinatie. ‘Daar pieker ik niet over. U hebt gezegd: verbranden. Ik heb het niet verbrand, ik ben erin getrokken, ik begrijp niet waarom ik excuus zou moeten aanbieden’. Botsende dominante karakters leidde hier het komende half jaar (van april tot oktober 1945) tot een wederzijds negeren. Op aandringen van dochter Juliana -‘Moeder, vergeet het nu maar, hij doet het toch niet (zijn excuus aanbieden dus)’- begon Wilhelmina weer tegen de prins te praten. Maar van sympathie voor haar schoonzoon, zoals Cees Fasseur in de biografie van de oude Koningin beweert, was volgens Bernhard geen sprake. Er was slechts een moment van uitzondering. In Londen schijnt ze een keer gevraagd te hebben: mis je je moeder? ‘Ik zei ja. Toen zei ze: ik zal proberen haar plaats voor je in te nemen. Dat vond ik lief. Maar het was de enige keer dat ik haar affectie merkte’. Het gedwongen vertrek van de koninklijke familie in mei 1940 is ook niet bepaald rimpelloos verlopen. ‘Ik moest van ‘moeder’ mijn vrouw wegbrengen naar Engeland. Ik wilde niet. Toen heeft ze meneer Beelaerts erbij geroepen, de vice-voorzitter van de Raad van State. Ze zei: meneer Beelaerts, ik wens dat u het hoort, ik heb mijn schoonzoon verzocht mijn dochter naar Engeland te brengen. Als hij niet gaat, schiet ik me dood. Toen heb ik gezegd: het is goed, moeder, ik ga. Wat moest ik anders?’ Als lezer ben je dan benieuwd of Hare Majesteit een schietwapen bij zich had om haar dreigement kracht bij te zetten, en hoe de reis uiteindelijk is verlopen. Op deze momenten erger je je aan deze twee ‘topjournalisten’ die dit soort kansen voor open doel laten liggen. Onder de titel ‘De Prins Spreekt’ had dus best mogen staan ‘De journalisten zwijgen’.

Ondanks de vele gaten in dit levensverhaal leest het boek als een toneelstuk, en het verbaast me eerlijk gezegd waarom niemand zich tot op heden geroepen voelt om de pen ter hand te nemen. Veel fantasie is niet nodig voor het toneelbeeld. Het podium is in tweeën gedeeld. Op het gedeelte links voor de toeschouwers floept het licht aan en zie: daar zijn De Volkskrantjournalisten in geanimeerd gesprek met de prins. Gezeten in een gemakkelijke stoel, omringd door de gigantische olifantencollectie in paleis Soestdijk, en onder het genot van een goed glas, vertelt Bernhard ronduit over zijn naderende dood die hem ‘geen bal kan schelen’. Zonder enige grootspraak: ‘Ik zou niet graag levend verbranden, maar ik vertrouw erop dat ik mijn laatste dag op Aarde volledig aan onze Lieve Heer kan overlaten. De dood is bij mij al vaak tevergeefs langs geweest. In Curaçao leerde ik hoe vlug verdrinken in zijn werk kan gaan. Zonder enige ervaring ging ik een keer duiken. Een fles op mijn rug en een camera in mijn hand. Ik was alleen. Mijn laatste gedachte was: iedereen zal zeggen, wat een idioot, en terecht!’  Als de ‘geruchten en achterklap’ ter sprake komen, door de prins in februari 2004 vastgelegd in een open brief in De Volkskrant, vertrekt zijn gezicht, en ontsteekt hij in een tirade over het boek ‘Omwille van de Troon’ van zijn criticaster Tomas Ross, een zogeheten faction, een mengeling van fictie en non-fictie. ‘Die vent schrijft dat mijn moeder in haar jonge jaren door alle nachtkroegen van Berlijn is gesleept om haar maar aan de man te brengen, langs tal van Pruisische officieren. Zo zou ze uiteindelijk bij mijn vader terecht zijn gekomen, een verarmde, waardeloze landjonker van wie mijn moeder zou hebben gehoopt dat hij de Eerste Wereldoorlog niet zou overleven. Zo zou ze hem hebben gehaat. Laat ik dit zeggen: een gelukkiger huwelijk dan dat van mijn ouders heb ik niet meegemaakt’, fulmineert de prins met rood aangelopen hoofd.  

Op het toneel rechts zijn we aansluitend getuige van een gelukkig tafereel ten huize van de familie zur Lippe-Biesterfeld. De Prins spreekt dus niet alleen, de Prins verbeeldt ook. Het toneelstuk zou zelfs verder kunnen gaan dan de verhalen die Bernhard op de valreep wereldkundig wilde maken. Nederland telt drie kranten gericht op een bovenmatig intelligente lezersschare. Naast De Volkskrant, waar Tromp en Broertjes destijds aan verbonden waren, zijn dat Trouw en het NRC. De redacties mogen elkaar graag bekritiseren en het is dan ook geen toeval dat uitgerekend Trouw een vernietigend oordeel uitsprak over deze ‘onthullende interviews’. ‘Het voegt helemaal niets toe aan de kennis die we hebben van bij voorbeeld de Hofmans-affaire, beweerden de ge’trouw’en Hugo Arlman en Gerard Mulder, tevens auteurs van diverse historische uitgaven over de Nederlandse monarchie.

In het grote Bernhard-interview – `Bernhard spreekt' – in de Volkskrant van 14 december schetst de prins zichzelf als een slachtoffer van de kliek rond de gebedsgenezeres Greet Hofmans, die ook zijn vrouw had betoverd. ,,Ze probeerden mij eruit te werken, de mensen rond mijn vrouw. Dat deden ze door kwaad te spreken. Bijvoorbeeld door het verhaal te verspreiden dat ik Trix versneld op de troon wilde hebben'', zegt hij. Maar Bernhard schetst zichzelf ook als de wreker die de Augiasstal op Soestdijk genadeloos uitmestte. ,,Ik ben naar Drees gegaan, heb gezegd, `nu geen dag langer, die mevrouw Hofmans moet weg'.'' Dat Bernhard persoonlijk de zaak-Hofmans bij Drees heeft aangekaart, is nieuw. Maar wanneer was dat dan?

En zo ging het nog wel even door. Arlman en Mulder waren duidelijk niet tevreden over de interviewtechnieken en de uitkomst daarvan van hun Volkskrant-collega’s, beroepsnijd zal ongetwijfeld ook maatgevend geweest zijn in dat oordeel. Was de Prins maar naar Arlman en Mulder gestapt met zijn verhaal, dan waren er veel betere gesprekken uitgerold, valt tussen de regels door te lezen in hun uitgebreide recensie.
Door ook dit soort reacties mee te nemen in het toneelstuk wordt voorkomen dat de waarheid van de Prins ook de enige echte waarheid is over de Prins. Tromp en Broertjes staan daar in het slotwoord van hun boek ook bij stil. ‘Elke geïnteresseerde lezer moet zelf maar uitmaken of het relaas van de Prins overtuigend is of niet. Het is zoals hij in een van de gesprekken zelf zei: jullie kunnen niet garanderen dat ik de waarheid spreek, maar jullie kunnen wel getuigen dat ik probeer openhartig te zijn’. Dat hebben de heren dan ook gedaan. Voor het boek en het eventuele toneelstuk geldt dat het slechts een beeld schept van de wereld van Bernard zur Lippe-Biesterfeld zoals hij die zelf zag, niets meer, niets minder. Maar dat maakt het toneelstuk ‘De Prins Spreekt’ er niet minder boeiend om. De ultieme waarheid ligt vrijwel altijd toch ergens in het midden.

Blijft over wie dat toneelstuk gaat schrijven. Toen ik het boek in een vloek en een zucht had uitgelezen, begonnen mijn vingers te jeuken. Maar als toneelschrijver heb je in Nederland wel met een ultieme waarheid te maken. Wat de strekking van het stuk ook is, en ongeacht hoe goed het is geschreven, de boodschap van de gesubsidieerde toneelgezelschappen luidt bijna altijd dat hun programma voor de komende drie jaar al geheel vastlegt, dus bedankt voor het toezenden, maar…. Zo was ongeveer de teneur van de reacties die ik kreeg op mijn toneelstuk over de relatie tussen Koning Willem III en kroonprins Alexander  met als inzet het vermaarde verdwenen kistje vol doktersattesten. Aan de slag gaan voor lokale gezelschappen der liefhebbers dan maar? Dat zou voor dit stuk in Roosendaal zeker mogelijk zijn. Wie bekend is met de formidabele acteerprestaties van Ad Stofmeel, al bijna vijftig jaar verbonden aan het Roosendaals Toneel, weet dat hij een bijna perfecte Bernhard kan neer zetten. De overige rollen zijn in Roosendaal ook probleemloos in te vullen. Kees Vermeeren als pijprokende Volkskrant-journalist bij voorbeeld en Ellie Hoevenaars als Juul en/of Moeder. Wellicht kan er gezaaid en geoogst worden via het onlangs opgerichte Cultuurnetwerk Roosendaal. De figuur Bernhard is het absoluut waard.