Zondag 8 april 2018

MARTIJN KONING ZELFS VOOR Z'N MICROFOON ONNAVOLGBAAR

Aanvankelijk was de grote zaal van De Kring zaterdagavond gereserveerd voor ‘An enchanted evening with Mirusia’. Vorig seizoen kon het publiek in Roosendaal voor het eerst kennismaken met deze Australische zangeres van Nederlandse afkomst, die groot is geworden in het muzikale circus van Andre Rieu. Helaas werd de mogelijkheid om de kennismaking met deze charmante, blonde vrouw verder te verdiepen gedwarsboomd door een zwangerschap. Een onverwachte neem ik aan, want het geldt in de artiestenwereld als zeer onprofessioneel, zeg maar ‘not done’, om een nieuwe wereldburger midden in een lange tournee te plannen. Geen hartverscheurende versie van ‘Feed the Birds’ (uit de musical Mary Poppins) dus deze avond.

Maar niet getreurd, de belangstelling voor het optreden van Martijn Koning in de kleine zaal was zo overweldigend dat de directie van De Kring al in een relatief vroeg stadium kon besluiten ‘Koning te Rijk’ over te hevelen naar het ware walhalla. Voor de abonnementhouders van de kleine zaal waren de eerste acht rijen gereserveerd, waarop dit deel van het hooggeeerde publiek naar eigen inzicht kon plaatsnemen. Gastheer Mon Puttiger -geniet van hem zolang het nog kan, over een kleine twee weken staat hij voor de laatste keer aan de deur-  nam het zekere voor het onzekere en attendeerde iedere bezoeker individueel op de gewijzigde situatie. Daarbij meldde hij consequent dat voor de eerste acht rijen het regime ‘Vrij Zitten’ van kracht was, mits men uiteraard tot het groepje uitverkorenen behoorde. Ik nam daarom bij het verwijderen van die irritante paarse linten (kunnen die niet weg?) direct een sprintje naar het midden van de eerste rij, want ik beschouw het altijd als een pré om de dienstdoende artiest goed in de ogen te kunnen kijken. Mijn buurvrouw van deze avond, eveneens lid van het vaste clubje, mopperde dat De Kring dit –een verhuizing dus-  bij het optreden van Peter Pannekoek op 30 maart ook best had kunnen doen. ‘Die had ik zo graag gezien. Nu kreeg ik te horen dat de zaal al uitverkocht was voordat de abonnementhouders hun bestelling konden plaatsen. Er was die avond niets te doen in de grote zaal, Pannekoek had dus gemakkelijk ook in de grote zaal kunnen staan.  Echt wat je noemt een misser’.  Doorgaans kan ik teleurgestelde medebezoekers bij optredens van de categorie (aankomende) cabaretiers troosten met de constatering dat ‘ze niet veel hebben gemist’.  Nu de naam Pannekoek in het geding was, zou dat niet conform de waarheid zijn. En omdat politici, ook wanneer ze van den volke geen raadszetel krijgen toebedeeld, altijd geacht mogen worden de waarheid en niets dan de waarheid (toch, Toine Theunis?)  te spreken, bevestigde ik haar maar een beetje in het ongenoegen dat ze zojuist voortreffelijk geuit had. Een tel later was er pas echt sprake van ongenoegen. Een ongenoegen dat gemakkelijk had kunnen uitmonden in een orgie van ‘vuur en furie’ als mijn buren aan de andere zijde niet zo inschikkelijk waren geweest. Wat was het geval?  Vijf minuten voor aanvang meldde zich een groepje van negen bezoekers dat aan de hand van een stapeltje uitgeprinte elektronische A-viertjes driftig op zoek was naar hun plaatsen op Rij 1. Ik onderkende het naderende onheil al snel en wees hen erop dat ze konden zoeken wat ze wilden, maar dat zeker op deze rij der voorst gezetenen het motto ‘blij dat ik vrij zit’ van kracht was, ongeacht wat er op die formuliertjes vermeld stond. Als ik me daar aan had gehouden was ik op dat moment in de kleine zaal, te midden van ongekend feestgedruis, tevergeefs naar die ongemakkelijke maar o zo vertrouwde tribunestoeltjes aan het zoeken geweest. ‘Voor ons hebben ze bij de kassa een uitzondering gemaakt. Wij vormen een groep van negen en uiteraard willen we graag bij elkaar zitten. Daarom hebben ze alsnog deze plaatsen voor ons gereserveerd’, wierp een knap maar arrogant gezichtje uit de groep tegen. ‘Dus als u nu even plaats wil maken, dan kunnen wij ook zitten’, klonk het zo mogelijk nog irritanter in de richting van mijn twee buurvrouwen.  Dit was natuurlijk een uitgelezen moment om al je opgespaarde woede de vrije loop te laten, maar –ik heb het reeds weggegeven-  de dames stonden gedwee op en zochten hun heil elders. Nu keek het arrogantje in mijn richting. ‘Heb het hart niet, of je krijgt al mijn verkiezingsfrustraties en ergernissen over je uit gestort’, gistte het in mijn bovenste.  Nu heb ik net als Youp van ’t Hek bij voorbaat al een  ……..hekel aan mensen die (grote) groepsgewijs een voorstelling menen te moeten bezoeken, die visie zou dus zeker onderdeel hebben uitgemaakt van mijn ongekende misbaar.   Kennelijk zag arrogantje het gevaar van deze op het punt van uitbarsten staande vulkaan van ‘vuur en furie’ tijdig in en constateerde gemaakt opgelucht dat er nu genoeg ruimte was geschapen voor het gezelschap om naast elkaar gezeten de capriolen van Martijn Koning te aanschouwen.

Mijn stemming was dus al aardig verzuurd, wat niet verdund werd door de eerste indruk van Martijn Koning.  Zijn opkomst werd ingeleid door  Fats Dominee die luid schallend liet weten dat hij  ‘ready and willing’ was. Ik zag en hoorde vooral al meteen dat het qua geluidstechniek foute boel was.  Koning praatte –nou ja, praten, filibusteren dekt de lading beter … net iets te hoog boven zijn microfoon waardoor je hem vanuit deze positie in echo hoorde.  Lucky Luke mag dan sneller schieten dan zijn schaduw, Martijn Koning dendert door in een tempo dat te hoog gegrepen is voor dat arme lulijzer. In zijn openingsbabbeltje liet hij weten het allerliefst in Roosendaal te gaan wonen, maar dat de omringende plaatsen toch ook wel iets hebben. Net als Youp van ’t Hek bijna dertig jaar eerder was hij vooral begeesterd door ‘Ruch – lees Ruk… Eeeen’en in iets mindere mate door ‘Woooouuuw’.  Youpie had destijds de omgeving kennelijk wat beter verkend in de (toen nog papieren) atlas, want hij liet vooral ‘STAMpersgat lekker vet aangezet door het bescheiden zaaltje van Fidei Et Arti gallen.  In mij herkende Youpie –met dank aan mijn opengevouwen blocnootje op schoot- direct een vertegenwoordiger van het journaille en goed bedoeld advies bleef dan ook niet lang uit. ‘Zeg makker van het Rucphense Sufferdje, erectie schrijf je met één ‘R’, tenminste die van mij wel’. Sindsdien stond ik in Oudenbosch lange tijd bekend als ‘de journalist van het hoekplaatsje’. Naar het schijnt zijn daar zelfs in de plaatselijke carnavalsrevue nog grapjes overgemaakt. Niet met een lange baard , maar met een….. nou ja, u begrijpt me wel. 

De technische onvolkomenheid leek niet door te dringen tot Koning en omdat hij daar vanuit de knopjestafel kennelijk ook niet op gewezen werd, tetterde hij in de hoogste versnelling lekker door . Als een kip zonder kop wel te verstaan.  Enige lijn viel in het programma, dat volgens het elektronische mededelingsbord tot 21.45 uur zou duren, niet te ontdekken.  Na een veel te lang uitgesponnen verhaal over een wintersportvakantie-ervaring schakelde hij via zijn (geveinsde?) gebroken hand, een Joegoslavische oorlogsmisdadiger die voor het oog van de camera met fatale gevolgen een flesje gif opdrinkt en oranjevoetbalvrouwen die net als de mannen bij een vrije trap hun hand voor het kruis houden over naar het -ik constateerde het al eerder-  tegenwoordig kennelijk verplichte thema man-vrouw-verhouding, ‘lekker’  doorspekt met de eigenschappen van de uitwendige mens die tot uiting komen in het onderlichaam. Iedere verfijning ontbrak in die smakeloze biologische uiteenzetting, het was niets meer dan een doodordinair pies-poep-plasverhaal, waarin hij de bezoekers op de eerste rij ook probeerde te betrekken. Na vijf kwartier, dus pas om 21.30 uur, besloot hij plots dat zo wel mooi was geweest, abrupt legde hij de zo geteisterde microfoon neer en maakte zich uit de voeten. Met een lach van ‘zo, die snelverdiende centjes zijn weer binnen’ verwaardigde Koning zich om nog even terug te komen voor een buiginkje en daar moesten we het dan maar mee doen. Waarschijnlijk was er geen handelswaar te slijten, want het commerciële uitsmijtertje bleef uit.  ‘Iedere artiest krijgt dus toch het publiek dat hij verdient’, wierp ik bij het verlaten van de zaal nog even een laatste vernietigende blik op het groepje naast mij, dat onbedaarlijk had zitten genieten van zijn grollen en grappen, die bij mij nog geen enkele lachspier tot beroering hadden gebracht. Volgens De Theaterkrant werkt Koning zonder regisseur, wat gezien het gebodene wel te begrijpen valt. Toch zou iemand uit zijn inner circle Koning eens moeten vertellen dat een schouwburgpubliek toch wel wat meer egards verdient dan de mensen die zich als levend decor laten misbruiken bij ‘De Wereld Draait Door’. Hoewel deze grammofoon al aardig is grijsgedraaid, moet ik na deze zoveelste nare ervaring met dat betuttelende, besproken zitten richting directie van De Kring toch maar weer eens verzuchten: VOER HET KOMEND SEIZOEN NU EINDELIJK HET VRIJ ZITTEN IN VOOR ZOWEL DE GROTE - ALS DE KLEINE ZAAL. LAAT THEATERVRIJHEID, THEATERBLIJHEID VOORTAAN HET MOTTO ZIJN!   Ja, ik blijf het toch zeggen hoor.    
      
Foto: Els Zweerink